
Home > Maleisië > Maleisisch Borneo > Reisverslag dag 20
15 december 2011 - 6 januari 2012 (23 dagen)
Als ik naar de steiger wil lopen voor de boottocht naar Snake Island, worden net de varanen gevoerd achter de keuken. Snel volg ik een groepje mensen naar de achterzijde van het restaurant.
Een troep van vijftien varanen heeft zich daar al verzameld. Een varaan is een meter of twee van kop tot staart. Regelmatig laten de varanen hun lange blauwe tong zien. Een kleine varaan heeft minder geluk. Hij wordt gegrepen door een van de andere varanen. De varaan is net als veel andere hagedissen zeer kannibalistisch en schroomt niet de eigen jongen op te eten, legt Omar uit. Een bizare gewaarwording als de varaan met de jonge in zijn bek in het bos verdwijnt. Ik loop naar de steiger. Met de speedboot vaar ik om de punt van het eiland. Het water is een stuk rustiger dan gisteren. Het eiland Pulau Tiga ligt er mooi bij zo in de zon. In de verte duiken twee kleinere eilanden op.
Het linker en kleinste eiland is Snake Island. Het beboste eiland is hooguit honderd bij honderd meter. Het rechtereiland is een langgerekt zandeiland. Hier ga ik later snorkelen. De bootsman legt aan bij Snake Island. Door de golfslag is het even lastig om op de stenen steiger te stappen. De boot gaat behoorlijk op en neer. Veilig kom ik aan wal. De crew is al op zoek naar slangen. Lang hoeven zij niet te zoeken. Al direct tussen de stenen liggen enkele zeeslangen te rusten. Ik probeer tussen de stenen door een foto te maken. Een bemanningslid maakt zich niet zo druk om deze giftige beesten. Hij trekt een slang naar boven om aan mij te tonen. Hij houdt wel de kop zorgvuldig vast. De slang is zo'n anderhalve meter. Zonder problemen laat hij hem weer los tussen de stenen. Met de boot vaar ik naar het andere eiland. De zee is nogal troebel. Het is niet de meest ideale omstandigheid om te snorkelen. Toch trek ik mijn flippers aan, zet mijn snorkel op en loop het zeewater in. In het eerste stuk kom ik vooral zeewier tegen. Verderop zwem ik ook boven het koraal. Het koraal is vooral wit uitgeslagen en is aan het afsterven. Erg zonde. Tussen het koraal zwemmen prachtige vissen.
Ook zie ik grote blauwkleurige zeesterren op de bodem. Met de lunch ben ik weer terug op het eiland Pulau Tiga. In de middag volg ik op eigen gelegenheid de trail naar de modderulkaan. Het pad naar de moddervulkaan is goed te belopen. Aan het pad te zien kan het met regen een stuk lastiger te bewandelen zijn. Op verschillende plekken zijn touwen gespannen om te gebruiken bij gladde stukken. Deze heb ik vandaag niet nodig. Op Pulau Tiga zijn drie moddervulkanen (eigenlijk modderpoelen). Door vulkanische activiteiten in de bodem komt warm water omhoog. Dit vermengt zich met de klei. De poel is tien bij twintig meter groot met vloeibare klei. Zodra ik in de poel stap, voel ik direct overal een glibberige klei. Ik laat mij achterover zakken en lig tot mijn nek in de kleimassa. Rond mij borrelt de modder met zwaveldampen omhoog. Gelukkig heb ik vooraf al mijn spullen in een dichtgeknoopte plastic zak opgeborgen. Met vieze handen en van top tot teen onder de modder, loop ik het pad terug naar zee. Het is 1.100 meter lopen. Onderweg droogt de modder langzaam op en trekt op mijn huid. Als ik bij de zee ben, neem ik een duik in het water. Ik spoel de modder van mij af. Als ik het ergste van me afgespoeld heb, loop ik naar de douche op het strand. Hier schrob ik de laatste modder van me af. In de namiddag begint het te regenen. Ik zit prima op de veranda van het restaurant. Ik drink een biertje en kijk uit over de zee.